Monnikenwerk
Een late roeping
Elis Peters die al een gevestigde schrijfster was, begon op latere leeftijd aan een serie over een speurende monnik. Daarmee ging ze door totdat haar dood in 1995 erop volgende. Aan haar overlijden was niets mysterieus. Ze was 82 en stierf na een beroerte. Aan Cadfael, haar middeleeuwse monnik, is ook weinig mysterieus. Het heeft iets geforceerds om hem een speurder te noemen. Hij is meer zijdelings betrokken bij moord en doodslag.
Saint Peter’s Fair uit 1981 is het vierde deel van de serie van twintig Cadfael-boeken, die bij ons ook allemaal in vertaling verschenen. Ze spelen in de late Middeleeuwen, rond het jaar 1130 in Shrewsbury in het graafschap Shropshire in het westen Engeland, tegen de grens met Wales. Peters zelf woonde daar in de buurt.
Er staat daadwerkelijk een benedictijner abdij waarvan Cadfael een van de monniken is. Gebonden door kuisheid, armoede en gehoorzaamheid bestaat hun leven uit werken en bidden. Spanning is daarbij niet te vinden.
Cadfael is een buitenbeentje in de gemeenschap. Hij kreeg een zogeheten late roeping na een roerig leven, met de suggestie dat hij ook van de geneugten van het vlees heeft genoten. Gebruikelijker was het om op jonge leeftijd in het klooster te treden. Maar zoals we weten zijn Gods wegen ondoorgrondelijk. En zo kun je onverwacht alsnog geroepen worden.
Zijn taak is het beheer van de artsenijhof en de aanmaak van smeersels en drankjes tegen allerlei kwalen. En als er vreemde zaken gebeuren, roept de abt graag de hulp en het advies van deze wereldwijze man in.
De stad en de abdij leven enigszins als kat en hond met elkaar. De stad lijdt onder de twisten rond het koningschap van Engeland. De abdij doet het juist goed met zijn pachtgronden. Dat roept afgunst op en leidt tot een volksoproer in dit verhaal over de te houden jaarmarkt. Het plaatselijke geweld en de oplaaiende burgeroorlog lijken verstrengeld te raken als er een koopman wordt vermoord op de gronden van het klooster. Tijd voor Cadfael om zich ermee te bemoeien.
Het grootste plezier van Peters lijkt het beschrijven van het leven en werken in de Middeleeuwen, overdekt met een romantisch sausje van hoofse liefde. En verder moet je wennen aan namen als Rhodri ap Huw, Martin Bellecote en Philip de Corbière. Tussentijds leer je ook nog dat de Benedictijnen zeven maal per dag op een vaste tijd bidden. Dat zijn de metten, lauden, terts, sext, noon, vespers en completen. Het doet me denken aan de hondenwacht, maar dat heeft er niets mee te maken. De dagindeling zorgt voor rust, ritme en regelmaat. Een extra vleugje spanning zou geen kwaad kunnen. In dit boek doet Peters daarvoor haar best door de zaak aan het eind in de fik te steken. Dat duurde wel even.


